Boustrofedon heeft de toekomst

Door Evi Aarens

Martinus Nijhoff in de Oude Hortus, universiteitsmuseum Utrecht. (Facebookpagina Oude Hortus)

In de Utrechtse binnenstad ligt een prachtige tuin, de Oude Hortus. In die tuin zag ik onlangs aan de rand van een grote vijver een bijzondere steen liggen. Ik stond daar tussen de irissen en boog voorover om met mijn hand een wak in het kroos te maken. Ik wist dat ik mijzelf hiermee in levensgevaar bracht. Tenslotte ben ik bekend met het oude epos over een meisje dat in het zwarte spiegelende wak verdwijnt nadat ze met haar vinger magische letters in het kroos heeft geschreven. In de onderwaterwereld wordt het meisje meegenomen door een schol geleerde vissen, die haar een nieuw alfabet en een nieuwe taal schenken. Die nieuwe kennis wordt het middel waarmee zij naar de mensenwereld terugkeert en vrede brengt. Het zou geen epos zijn als het zo simpel was, en er komen dan ook moorddadige krokodillen en gemene watervlooien in voor, maar kort samengevat is dit wel ongeveer de strekking van het verhaal.

Op de bijzondere steen aan de rand van de Utrechtse vijver staat een fragment uit het gedicht Het kind en ik van Martinus Nijhoff:

En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd uitgewist.

De steen is gemaakt door schriftbeeldhouwer Britt Nelemans en werd in 1995 in de Oude Hortus geplaatst. Wat direct opvalt is dat de tweede en vierde versregels in spiegelschrift staan afgebeeld.

De schrijfrichting die op deze steen is toegepast heet boustrofedon. Het wordt ook wel ossenploegschrift genoemd. Het komt erop neer dat het schrift op de pagina of steen wordt geplaatst zoals een boer een veld ploegt: van links naar rechts en van rechts naar links en zo verder. Om het goed te doen moeten niet alleen de letters in de gespiegelde regel in de omgekeerde volgorde staan, maar dient ook elke individuele letter horizontaal te worden gespiegeld. Het leek me de moeite waard het eens te proberen. Ik deel mijn allereerste poging om uit het hoofd het versje ‘Jonge sla’ van Rutger Kopland in boustrofedon te schrijven:

Inmiddels heb ik over het ontstaan en de historische toepassing van boustrofedon in verschillende talen en culturen een flink stapeltje wetenschappelijke literatuur gelezen. Erg nuttig vond ik een aantal artikelen en boekbijdragen over het ontstaan van het Griekse alfabet, geschreven door de Leidse universitair docent Hittitisch Willemijn Waal. Iedereen is het er over eens dat de Grieken hun alfabet hebben overgenomen (of met een hedendaagse term: toegeëigend)van de Feniciërs. De vraag wanneer de Grieken dit deden is nog altijd onderwerp van discussie. In eerste instantie dachten classici dat dit ergens in de achtste of zevende eeuw voor Christus is gebeurd. Waal betoogt aan de hand van een grote stapel bewijsstukken dat het Griekse alfabet al in de elfde eeuw in het Egeïsche gebied is gearriveerd.

Pas vanaf pakweg 500 voor Christus worden alle Griekse inscripties in dextrovers geschreven, dus van links naar rechts. Van vóór die tijd zijn ook inscripties bekend met teksten geschreven in het sinistrovers (van rechts naar links) of in boustrofedon. Het heeft dus zeker een half millennium geduurd voordat de schrijfrichting van het Griekse alfabet, en daarmee van alle westerse alfabetten, definitief werd vastgesteld.

Die conventie is doodzonde. De keuze voor dextrovers heeft onze manier van lezen en schrijven (en in het verlengde daarvan, wellicht: onze manier van denken) ernstig verengd. Schrijven en lezen in boustrofedon is even wennen (maar ook niet meer dan even) en heeft volgens mij grote voordelen. Zo is het een efficiëntere manier van lezen, omdat onze ogen ook letters en woorden registreren als ze weer terug naar links bewegen. Als we alleen van links naar rechts lezen zijn onze ogen als een ouderwetse typmachine, maar dan zonder het belletje aan het einde van de regel.

Ik zie ook letterkundige voordelen. Boustrofedon opent de deur voor allerhande vorm- en taalexperimenten, zoals nieuwe manieren van dialogisch schrijven waar vooral de hedendaagse poëzie veel behoefte aan heeft.

Er zijn misschien ook medische voordelen. Ik bezit op dit gebied geen enkele deskundigheid. Wel weet ik dat er enkele tentatieve studies zijn die suggereren dat tweetaligheid beschermt tegen dementie, of dementie in elk geval afremt. Ik hoop dat dit het geval is, net zoals ik hoop dat ook een actief gebruik van boustrofedon kan helpen de cognitie op oudere leeftijd scherp te houden.

Niemand kan echt overtuigend bewijzen dat je van het lezen van literatuur een empathischer mens wordt, ook al beweren wetenschappers als De Mulder et al., Fong, Mullin & Mar, Kid & Castano, Lenhart et al. of Mumper & Gerrig allemaal van wel. Op dezelfde manier zal ik wel nooit kunnen aantonen dat je van lezen en schrijven in boustrofedon ruimdenkender wordt, maar ik vertrouw erop van wel. Het zou kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van de ‘perspectivistische lenigheid’ waar volgens filosoof Lammert Kamphuis tegenwoordig veel behoefte aan is. Het is een foeilelijke term, maar ik begrijp wat hij bedoelt. Ons bekwamen in het actieve en passieve gebruik van boustrofedon kan ons helpen ook een persoonlijke uitdaging of een maatschappelijk probleem van links naar rechts te beschouwen, en tegelijkertijd ook van rechts naar links. We zullen minder binair in het leven staan, ook in onze houding naar de grote buitenwereld. Boustrofedon zal ons bevrijden van de stellige overtuiging dat ‘wij’ in de Occident de werkelijkheid op een totaal tegenovergestelde manier ervaren en beschrijven als de ‘Ander’ (de Arabier, de Jood). Boustrofedon zal onze starre geest tot lenigheid dwingen. Het zal ons leren te handelen in het besef dat – om naar Nijhoff terug te keren – onze zekerheden in het water blijven beven, en daar ook worden uitgewist.

We moeten daarom het ossenploegschrift in ere herstellen. Ik stel voor dat we een experiment aangaan, en met de poëzie beginnen. Laten we vanaf nu alle nieuwe poëzie in boustrofedon presenteren, zowel online als in druk. Natuurlijk is dit voor de poëzielezer even wennen. Maar poëzie waaraan je niet hoeft te wennen is überhaupt geen poëzie.

Mijn volgende poëziebundel zal bestaan uit vierendertig lange canto’s, geschreven in terza rima interna. Als ik het meest recente canto dat ik heb voltooid in boustrofedon presenteer, dan ziet de eerste pagina er zo uit:

Klare taal, zeker. Ik ben erg benieuwd naar de reactie van mijn uitgever, als ik binnenkort een bundel van ongeveer 3500 versregels in boustrofedon voorstel.

Dit stukje verscheen eerder in Neerlandistiek.